zaterdag 19 januari 2013

Tommy Wieringa, Dit zijn de namen














Zo'n dag of tien heb ik erover gedaan, wat betekent dat ik niet echt gegrepen werd door het boek. Toch vond ik het mooi. Als ik erin las, nam het me wel mee, ondanks de sombere inhoud: het verhaal over de politie-inspecteur Beg die in een niet te benijden sleur leeft en het grimmige, angstaanjagende verhaal over de vluchtelingen die om te overleven voor niets terugdeinzen.


Aanvankelijk vond ik het vreemd dat Wieringa voor de Oekraïne gekozen heeft als achtergrond voor zijn boek. Naarmate ik meer in het verhaal kwam, viel het me minder op en leek me de sfeer daar goed weergegeven. Toch begrijp ik niet waarom een dergelijk verhaal zich niet hier, in Nederland, had kunnen afspelen. Heeft die keuze wellicht te maken met een behoefte aan internationaal schrijverschap?

Wat ik ook vreemd vind, is de vervlechting met de Joodse cultuur: het jodendom, de rabbi's. Als het gaat om een zoektocht naar een identiteit, het willen behoren tot een bepaalde groep, het verlangen naar geborgenheid, het kunnen koesteren van hoop op een beter leven, dan begrijp ik het enerzijds wel, maar ook dan vind ik dat idee, dat thema in deze roman een beetje gekunsteld. Toegegeven, het is een metafoor voor een groter verband, idee, maar het is zo on-Nederlands. Het gebruiken van joodse elementen in de Nederlandse literatuur is  - voor zo ver ik weet - min of meer voorbehouden aan schrijvers met joodse wortels. Dat wil niet zeggen, dat anderen er niet over zouden mogen schrijven, maar op dit moment voel ik me er een beetje ongemakkelijk bij.

Kortom, het is een boek dat nog een paar dagen in de marinade moet liggen. Ik ben er duidelijk nog niet helemaal uit, ook omdat het zo heel anders van toon en sfeer is dan veel andere romans van daar, dat wil zeggen: die ik ken. Denk aan Joseph Roth, Paustovski, Babel...

woensdag 16 januari 2013

Leo Tolstoi en het Sint-Janskruid

In de novelle 'Meester en knecht' van L. Tolstoi speelt het Sint-Janskruid een opvallende rol. Zo opvallend, dat het wel lijkt of dit geneeskrachtige kruid de rol van de klassieke 'peripeteia' op zich neemt!

Herbergier en koopman Wasili Andrejitsj Brechoenow maakt zich klaar om naar een naburige landeigenaar te rijden voor de aankoop van een bosperceel. Het is hartje winter en vanwege de kou en de bezorgdheid van zijn vrouw, gaat zijn knecht Nikita mee. Met de slee, getrokken door het vriendelijke paard, Moechorti, gaan beiden op weg naar Goriatsjkino, zo'n tien werst verderop. Ze verdwalen en komen tot twee keer toe in Grisjkino, waar hun onderdak voor de nacht aangeboden wordt, maar wat door Wasili wordt afgewezen, bang als hij is dat hij te laat komt voor de zo gunstige aankoop. Midden in de nacht, temidden van zware sneeuwstormen, proberen ze hun weg te vinden. Ze stranden. Het vermoeide paard en de onmogelijkheid om een geschikte route te vinden dwingt hen de nacht buiten door te brengen. Maar dan slaat de angst toe. Wasili maakt het paard los en verdwijnt:

"<Waarom zou ik hier blijven liggen en op den dood wachten... Ik ga op het paard zitten en hup, vooruit!> flitste eensklaps een gedachte in hem op. <Met één ruiter op z'n rug zal hij nog wel kunnen draven... Hèm - > en hij dacht aan Nikita _ < maakt het toch geen verschil of hij nu sterft. Wat heeft hij ook voor 'n leven! Dààr zal hij niet veel om treuren, maar ik heb goddank iets aan mijn leven...>

Dat kan niet goed aflopen! Moechorti zakt weg in de sneeuw, ontdoet zich van zijn berijder en gaat ervandoor. Wasili snelt het paard achterna, vindt hem en... is weer terug bij de slee. Daar ligt Nikita te kreunen, op sterven na dood.

"Ongeveer een halve minuut bleef Wasili Andrejitsj zwijgend en onbeweeglijk staan, daarna trad hij eensklaps met de vastberadenheid waarmee hij gewoon was door handslag een voordeeligen koop te bekrachtigen, een stap terug, stroopte de mouwen van zijn pelsjas op en begon met beide handen de sneeuw uit de slede en van Nikita af te werpen."

Hij gaat zelfs zover dat hij bovenop het lichaam van Nikita gaat liggen om hem te verwarmen.

Vanwaar opeens deze naastenliefde? De oorzaak moet bij het Sint-Janskruid liggen, een plant waaraan geneeskracht toegeschreven wordt en die gebruikt wordt als antidepressivum. Tijdens zijn vlucht te paard wordt hij tweemaal verrast door 'iets zwarts', iets dat hij aanziet voor een huis, dorpswoningen. Beide keren zijn het opgeschoten struiken Sint-Janskruid. Overigens werd al in het begin van het verhaal gesproken over Sint-Janskruid, een van de eerste momenten dat ons reisgezelschap de weg naar Goriatsjkino was kwijtgeraakt en over een stoppelveld reed "waar St. Janskruid en stroohalmen uit de sneeuw omhoog staken en in den wind heen en weer bewogen."

Hoe het ook zij, dit altruïsme, deze lichtzinnigheid moet Wasili met de dood bekopen. Ook het paard overleeft de barre tocht niet. Nikita wordt de volgende dag door de boeren uit de sneeuw uitgegraven; alleen zijn tenen zijn bevroren. Hij leeft nog twintig jaar en neemt - de dood verwachtend - 'afscheid van zonen en kleinkinderen en stierf, zich oprecht er over verheugend dat hij zijn zoon en schoondochter van den last van een overtollig eter bevrijdde..."

Het leven van Nikita was zwaar en leek doelloos voor de nachtelijke sneeuwtocht; hoe het de twintig jaar erna gegaan is, weten we niet. Of Wasili gelijk gehad heeft met zijn opvatting over het leven van knechten? En wat het geneeskrachtige kruid betreft: Sint-Janskruid is een mooie plant, die in de zomer vrolijk geel staat te bloeien langs weg en spoorbaan!

zondag 13 januari 2013

Huevos Rancheros (Country eggs)


Afgelopen vrijdag waren we in de kringloopwinkel van Maastricht. Zelf had  ik het boek niet zien staan, Han attendeerde me erop. Toen twijfelde ik nog: de Mexicaanse keuken staat bij mij niet bovenaan. Ik heb zelden avocado's en chorizo in huis, laat staan 'nopal cactus'! Chilipepertjes wel, die staan in onze moestuin. We hebben uiteraard niet zo'n variatie als in Mexico, we behelpen ons met één soort. Ik nam het boek mee; het was dat het maar 2 euro kostte!

In de auto op weg naar huis bladerde ik erin; het zei me nog niet veel. Mijn ervaring is overigens dat je dit soort boeken moet veroveren. Toen ik dan ook begon bij het begin en zag dat bovenaan in de 'Acknowledgements' Elizabeth David stond, wist ik dat het goed zat. Dit moest een bijzonder kookboek zijn.

Inderdaad. Thuis surfte ik op het net en zag dat dit kookboek van Diana Kennedy hèt kookboek van de Mexicaanse keuken is. In z'n soort is het te vergelijken met bijvoorbeeld De zilveren lepel, Het Haagsche kookboek, Ons kookboek, de kookboeken van Jane Grigson en Elizabeth David, uiteraard. Waarom? Omdat er veel onderzoek gedaan is naar de eetgewoonten van de verschillende bevolkingsgroepen van, in dit geval, Mexico en daar een standaardwerk uit voortkomt dat zowel interessant is voor de Mexicaan als voor anderen. Recepten die nog niet vastgelegd waren, staan nu in dit kookboek.

Of ik er op korte termijn veel uit ga koken, weet ik nog niet. Allereerst moet ik aan het boek wennen. Omdat we op het moment veel eieren hebben, heb ik al gekeken in het hoofdstuk 'huevos'. Er staan vooral veel recepten voor 'huevos revueltos' in, maar nooit zonder chorizo of chili of 'nopales' of 'salsa ranchera'. Geen gerechten dus waarvan ik de ingrediënten op voorraad heb. Maar wie weet. Ik heb al gezien dat ik die 'salsa ranchera' zo kan maken, zij het dat ik geen 'chiles serranos' heb, maar zoals gezegd chili's uit de moestuin van Geheut. Moet ook kunnen. Wie weet, eten we morgen 'Huevos Rancheros', niet in 'tortillas' maar op zelf gebakken roggebrood!

zaterdag 12 januari 2013

Kwarktaart, cheesecake

 
Als halve Midden-Europeaan en groot liefhebber van regionale keukens ben ik dol op de joodse kookcultuur en  dan vooral die van Midden- en Oost-Europa. Tel daarbij op dat we zo nu en dan veel eieren hebben van onze kippen, ik niets weg kan gooien en veel bak,  dan wordt het duidelijk dat ik graag kwarktaart maak. Mijn recept is een combinatie van dat uit Claudia Rodens boek De joodse keuken en bovengenoemd kookboekje, een uitgave van Stichting vrienden van de Jeugd Alijah te Amsterdam.
 
Allereerst maak ik van 200 gram bloem, een snufje zout, 75 gram suiker, 100 gram margarine en een ei een korstdeeg dat een half uur in de koelkast moet rusten. Tot zover mevrouw Roden. Na een half uur wordt het deeg uitgerold in een springvorm en bekleed met een 'noodvulling'. Dertig minuten op 180 graden celsius.
 
Intussen wordt de vulling gemaakt. Ik klop een bak kwark (500 gram) met 3 eetlepels custard, 5 eieren, wat citroenrasp en 100 gram suiker. En dat is dus de inbreng van het kookboek van de Jeugd Alijah. Wel voeg ik er nog zo'n 100 gram rozijnen aan toe: eigen  inbreng ;-) .
 
Als het deegbakje afgekoeld is en de blinde vulling is verwijderd, komt de vulling erin. Terug in de oven: ongeveer een uur op 175 graden.
 
Eet smakelijk / Betti avon!
 
 
 
 

donderdag 10 januari 2013

Pompoenen in Saboentsji

 

"Meer dan twintigduizend arbeiders leven in Saboentsji (nu: Sabunçu), hier zijn minstens drie keer zoveel pompoenen. Bij deze exemplaren van een overdadige natuur verdwijnen bijna de druiven, de dadels de vijgen en de peren. Aan honderd kraampjes verkoopt men vruchten, brood, vlees, vette varkens, groot, zwartgevlekt en zwaar, maar rap als honden, varkens die tempo hebben: een zuidelijke en geestige luim van de schepping."

In Joseph Roths Reis door Rusland gaat het niet om pompoenen. In deze bundel essays gaat het om een beeld van de jonge Sovjet-Unie. In 1926 maakte Roth voor de Frankfurter Zeitung een reis door Rusland en doet hij verslag van de meest uiteenlopende onderwerpen, zoals: de gebruiken aan een grensovergang, het religieuze leven in Moskou, een bootreis over de Wolga naar Astrakan, de volkeren in de Kaukasus, het straatleven in Rusland, de positie van de joden, de kerk en de godsdienstpolitiek, het theater, de school en de jeugd, de verburgerlijking van de revolutie.

De 'feuilletons', zoals ze destijds genoemd werden, zijn kritischer dan ik verwacht had. Er is veel kennis van zaken nodig voor de lezer om al zijn opmerkingen in een juist perspectief te plaatsen: Lenin was al vijf jaar dood, Stalin had zijn ideeën over de 'planeconomie' nog niet ten uitvoer gebracht. Het gaat om een periode die relatief vrij rustig was en waarvan ik niet zo'n duidelijk beeld heb. Gelukkig heeft de vertaler, Koos van Wehring, in voetnoten toelichting gegeven bij diverse namen en begrippen.

Dat maakt naturlijk ook dat Roths artikelen zo interessant zijn; soms lijkt het alsof de dagelijkse gang van zaken acceptabel is: verschillende volkeren leven naast elkaar, godsdienstuitoefening is (nog?) mogelijk, er is relatieve vrijheid. Juist de passages waarin het 'gewone' leven in de nieuwe Sovjetsteden beschreven werd, vond ik heel erg mooi. Een voorbeeld:

"Daartussendoor schuift de massa: mannen in goedkope blouses, velen in een leren jack, allen met bruine en grijze mutsen, in grijze, bruine en zwarte hemden; veel boeren en nog halve plattelandstypen, de eerste generatie die het lopen  geleerd heeft op het plaveisel van een straat. Soldaten in lange, gele jassen, politiemannen met donkere en donkerrode mutsen, mannen met aktetassen die ook zonder dit voorwerp als functionaris herkenbaar zijn, oude burgers die hun prestige ophouden en nog een witte kraag, een hoed en een zwart baardje dragen - de mode van de intelligentsia van de jaren negentig - en de onvermijdelijke lorgnet aan het dunne gouden kettinkje dat de schelp van het oor afgrenst van de schedel; debatterenden die naar de club gaan en onderweg al het clubgesprek beginnen; een paar angstige, heel primitieve meisjes van de liefde, van het type: neem er de tijd voor, zeer zelden een goed geklede vrouw, nooit een mens die niets omhanden heeft en nooit een mens die men het zou aanzien dat hij helemaal geen zorgen heeft. Alles ademt de sfeer van een leven dat vol is van arbeid en rijk aan problemen. Of men arbeider is of functionaris of kantoobediende. Men is actief of men wordt net actief. Men is lid van de partij of men bereidt zich juist voor in de partij opgenomen te worden (en zelfs het partijloos zijn is nog een vorm van activiteit). Men fixeert steeds zijn positie ten opzichte van de nieuwe wereld. Men corrigeert zijn standpunt. Men is nooit helemaal een privé-mens. Men is altijd een zeer levendig bestanddeel van de samenleving. Er wordt georganiseerd, er wordt gespaard, er wordt een campagne gestart, een resolutie opgesteld, een delegatie verwacht, er wordt een delegatie begeleid, er wordt iemand uit de partij gestoten, een ander opgenomen, er wordt ingezameld, afgeleverd, gestempeld - er wordt, er wordt, er wordt! De hele wereld is een reusachtig apparaat. Elke bejaarde, elk kind is erbij betrokken en draagt verantwoordelijkheid, het is een groot gedoe van bouwen en dichtgooien en bakstenen slepen, hier liggen brokstukken, daar ligt nieuw bouwmateriaal - en alle mensen klimmen op steigers, staan op ladders, gaan trappen omhoog, repareren, demonsteren of gooien dicht. Nog staat niemand vrij en soeverein met beide benen op de grond."

Ik geef toe, pompoenen lijken in een dergelijke stad een Fremdkörper te zijn; maar Saboentsji, een stad niet ver van Bakoe (hoofdstad van het huidige Azerbeidzjan) is geen stad als Moskou of Kiev, is wellicht een stad waarin in het leven in 1926 nog niet zo heel anders was dan in de tijd van de tsaren. Jammer, dat ik zo weinig van die tijd in die Sovjet-staten afweet, staten waarin bewoners geen gemakkelijk leven geleid zullen hebben, maar ook staten met zulke interessante gebruiken en sprookjesachtige namen.

Joseph Roth, Reis door Rusland, 1994


woensdag 22 februari 2012

Poefelen




Met carnaval worden er in Zuid-Limburg poefelen gegeten. Poefelen worden ook wel strikken, nonnenvotten, smoutebollen, warme bollen, mutzen, Berliner bollen en soms zelfs oliebollen genoemd. Hoewel er enige variatie is tussen al die soorten carnavalsgebak, is de overeenkomst dat het deeg steeds bereid wordt met gist en de bollen of strikken in vet gebakken worden. Eigenlijk weet ik niet waarom er zo vet gegeten moet worden met carnaval, wellicht heeft het te maken met het 'leggen van een bodem' voor al dat bier.
Zonder bier - of ander vocht - smaken poefelen niet altijd goed. Het probleem is dat ze na een halve dag erg droog zijn. Dit jaar heb ik een recept van het echtpaar Wil en Netty Engels-Geurts geprobeerd. Dat zijn lekkere poefelen geworden die zelfs na een dag nog geen bier 'of zo' nodig hebben. Het echtpaar Engels-Geurts heeft zich tot doel gesteld om Nederlandse streekgerechten en dan vooral de Limburgse kookkunst te boekstaven en heeft al aardig wat publicaties op zijn naam staan. Dit recept komt uit hun boek Traditionele feestgerechten het jaar door, uitgegeven in 1988 bij de Zuid-Hollandsche Uitgeversmaatschappij.
Ik denk dat het geheim van deze poefelen zit in de hoeveelheid eieren en boter. Op 500 g bloem worden 2 eieren gebruikt, 20 g gist, 100g boter, 50 g suiker, 1,5 dl melk en wat zout. Het gistdeeg moet zo'n twee uur blijven staan om tot de dubbele hoeveelheid te rijzen. Dan worden er lange slierten gemaakt waarin een knoop wordt gelegd. Die aspirant-poefelen moeten nog een minuut of twintig rijzen en daarna kunnen ze gebakken worden in frituurvet.
Volgend jaar weer!

dinsdag 14 februari 2012

14 februari Valentijnsdag. Voor ons: zuurkooldag!


Voor ons heeft Valentijnsdag geen betekenis. De liefde wel!
Een heel mooi moment voor Aux deux coins ronds is het jaarlijks terugkerende ritueel van zuurkoolmaken. Han heeft met veel geduld de wittekolen opgekweekt en heeft daarbij droogte, wateroverlast, onkruid èn rupsen, heel veel rupsen, getrotseerd. Het resultaat mag er zijn: reusachtige, prachtige, witte en witgele kolen. Te mooi om eraan te komen!

Maar toch. Het zuurkoolvat wordt tevoorschijn gehaald, Han gaat snijden en schaven en ik hanteer de zuurkoolstamper tot de koolsnippers hun vocht prijsgeven, strooi voldoende zout tussen de verschillende lagen opdat de zuurkool lang goed blijft. En dat is de liefde: voor het land, voor de opbrengst van de moestuin, voor al die heerlijke winterse gerechten die gaan volgen.

Vandaag eten we dus zuurkool. Zuurkoolsoep. Ik laat me leiden door Berthe Meijer, lange tijd culinair medewerkster van NRC Handelsblad. In haar NRC Handelsblad Menuboek staat een mooi recept van Poolse zuurkoolsoep. Een soep met spekblokjes, bouillon, wodka, wijn, ui, appel, gedroogde pruimen, restjes vlees, salami, jeneverbessen, kummel, laurierblad, tomatenpuree, paprikapoeder, aardappelblokjes, champignons èn..... zuurkool.
Een Valentijnssoep met veel liefde..